Skip navigatie

Radiotherapie

Een lineaire versneller

Radiotherapie (bestraling) wordt vaak na een operatie gegeven om eventueel achtergebleven kankercellen alsnog te vernietigen, en de kans op terugkeer van een tumor te verminderen. De straling beschadigt het erfelijk materiaal (DNA) in tumorcellen. Die gaan daardoor dood.

Drie toepassingen

Radiotherapie kan om verschillende redenen worden gegeven:

  • adjuvant:
    voor of na een andere behandeling. Vóór een  operatie heeft radiotherapie als doel de tumor te verkleinen, zodat deze gemakkelijker verwijderd kan worden.
    Na een operatie is het doel te voorkomen dat cellen die in het operatiegebied achtergebleven zijn uitgroeien tot een nieuwe tumor.
  • palliatief:
    bij uitzaaiingen. Het doel is dan, de tumor of uitzaaiing te verkleinen of de groei te vertragen of te stoppen. Genezing is niet meer mogelijk, maar levensverlenging en meer kwaliteit van leven wel.   

Twee soorten straling

Bij radiotherapie worden twee soorten straling gebruikt:

  • hoogfrequentie elektromagnetische straling (fotonen) die diep in het lichaam kan doordringen. Deze straling is te vergelijken met straling waarmee röntgenfoto's worden gemaakt, maar dan met meer energie, zodat ze dieper in het lichaam doordringt;
  • elektronenstraling, die het oppervlakteweefsel aanpakt.

Moderne bestralingstoestellen leveren straling met een heel hoge energie. Deze energie wordt van het bestralingstoestel naar het te bestralen lichaamsdeel overgebracht door zeer kleine stralingseenheden: fotonen.

Een lineaire versneller

De voordelen van fotonenstraling zijn:

  • de stralingsdosis wordt beter verdeeld over het te bestralen gebied;
  • de straling die door de huid heen naar de tumor wordt gestuurd, geeft eerst in de opperste lagen van de huid heel  weinig energie af. In de diepere lagen wordt steeds meer energie van de straling afgegeven en geabsorbeerd. Nog dieper neemt de straling weer af.  Daardoor lopen de huid en het weefsel rond de tumor minder stralingsschade op.

Elektronen geven hun energie eerder af aan het omgevende weefsel dan fotonen. Elektronenstraling dringt daarom minder diep door dan fotonenstraling. Elektronenbestraling wordt dan ook vooral toegepast als het te bestralen gebied in de huid of direct daaronder ligt (tot ongeveer 4 à 5 centimeter).

De plek waar de tumor zit, is bepalend voor de manier van bestraling. Hoe dieper de tumor zit, des te energierijker moet de straling zijn om voldoende door te kunnen dringen. Diep gelegen tumoren worden dus met fotonen bestraald.

 

Laatst gewijzigd: 29-09-2008

Hulpmiddelen

In de Hulpwijzer staan links naar informatie over hulpmiddelen waar u  mogelijk mee te maken krijgt.

Galerie: Schilderijen en foto's

Foto: Simone Brendel

Veel lotgenoten verwerken hun emoties door creatief bezig te zijn. Bekijk de kunstwerken in de galerie en verstuur ze als e-card.